Wat is ODD

De afkorting ODD staat voor  Oppositional Defiant Disorder (Oppositionele Opstandige Stoornis).  ODD valt onder de zogenaamde agressieve gedragsstoornissen. Kinderen en jongeren met ODD hebben moeite met het reguleren van hun emoties. Daardoor zijn ze regelmatig boos, driftig, snel gefrustreerd waardoor conflicten ontstaan met leeftijdsgenoten en volwassenen. Ze hebben moeite met het accepteren van geldende normen en autoriteit. Ze stellen nogal eens hun eigen regels boven die van anderen. Er is een verhoogd risico op schooluitval, criminaliteit en/of verslaving.

ODD gaat vaak samen met andere stoornissen zoals ADHD, angst- en stemmingsstoornissen of taalstoornissen. Dit zorgt ervoor dat het niet altijd eenvoudig vast te stellen en/of te herkennen is.

Studenten die met ODD gediagnosticeerd zijn vinden dit een “nare” diagnose en vertellen soms dat ze “eroverheen gegroeid” zijn.

Hoe kun je een student met ODD herkennen?

  • Is vaak driftig.
  • Zoekt vaak de discussie met volwassenen.
  • Negeert of overtreedt bewust regels.
  • Raakt snel geïrriteerd.
  • Irriteert opzettelijk anderen.
  • Legt de schuld voor eigen fouten of wangedrag bij anderen.
  • Heeft een kort lontje.
  • Gedraagt zich vaak hatelijk en wraakzuchtig.
  • Uit zich heel direct maar niet diplomatiek.

Positieve eigenschappen van een student met ODD

  • Is vasthoudend en daadkrachtig.
  • Heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel.
  • Komt goed voor zichzelf op.
  • Is creatief.
  • Heeft veel gevoel voor humor.

Tips wat je kunt doen als docent

  • Ga discreet om met informatie over de diagnose. Veel studenten willen er liever niet over praten.
  • Wees royaal met complimenten, geef opbouwende kritiek, positieve feedback.
  • Stel duidelijke, haalbare grenzen.
  • Wees consequent en rechtvaardig
  • Wees alert op mogelijke conflictsituaties door te letten op gezichtsuitdrukkingen.
  • Zorg voor een vaste time-out plek voor de student om zich terug te trekken uit conflictsituaties.
  • Bespreek samen met de student welk effect zijn/haar gedrag heeft op anderen.
  • Bespreek samen met de student alternatieve gedragingen.
  • Is er een conflict ga dan niet in discussie met de student. Bespreek de situatie achteraf.
  • Is er een conflict raak de student dan niet aan.
  • Betrek ouders/verzorgers zoveel mogelijk om misverstanden over de thuissituatie versus de schoolsituatie te voorkomen.
  • Betrek de hele klas bij de verantwoordelijkheid voor het vermijden van conflictsituaties en het zorgen voor een positief leerklimaat: keuze tussen ODD’er provoceren of juist helpen.
  • Tot slot: gebruik als het enigszins kan humor ter relativering in het contact met de student.

Geraadpleegde bronnen

Meer lezen en zien?